De behandeling van diabetes streeft ernaarom de glycemie beter te controleren.Om er zeker van te zijn, raden wij u aan om uwglycemie om de 3 maanden te laten controlerendoor uw arts.Hij of zij kan dan nagaan, op basis van eenbloedonderzoek, of uw glycemie de voorbijeweken goed gecontroleerd was.Hiervoor wordt een speciale test gebruikt,geglyceerd hemoglobine of, in medischevaktermen, HbA1c genoemd. Voor een goede controle van diabetes,moet de HbA1c onder 7% blijven.Zodra diabetes wordt vastgesteld, is het ookaanbevolen om deze test om de 3 maandente herhalen.Als u zelf uw glycemie meet met behulp van eenglucosemeter en strips, kan u de invloedvan de voeding, lichaamsbewegingen geneesmiddelen op de glycemie regelmatigevalueren.Klik op HBA1C om de video te spelen die meeruitleg zal geven.
Zelfcontrole:zo gaat u te werkVoor zelfcontrole hebt u nodig:een prikpen met naaldjes (ook wellancetjes genoemd), en een bloedgluco-semeter met de bijbehorende teststrook-jes, ook “strips” genoemd.Er zijn verschillende soorten bloedgluco-semeters. Ze kunnen verschillen ingrootte, grootte van het afleesvenster, hoeveelheid benodigd bloed, meetsnel-heid en geheugen. De meeste toestellen bieden de mogelijkheid tot uitlezen via een computer. Als zelfcontrole voor u nodig is, kunt uzich het best op weg laten helpen door een diabetesverpleegkundige.Die kan u precies tonen hoe u de glucosemeter correct gebruikt, hoe u deresultaten moet inschatten, welkegevolgen u hier best aan geeft en zo meer. De uitvoering van de test kentverschillende stappen:* de voorbereiding,* de vingerprik, * het aanbrengen van een bloeddruppel op het teststrookje,* het meten en aflezen van het test- resultaat* en tenslotte het neerschrijven van de resultaten in uw dagboekje.Om een betrouwbare waarde te krijgenis het belangrijk de stappen nauwkeurigte volgen.Een vingerprik kan in het begin nog wat eng zijn, maar na enkelekeren zal het u zeker meevallen. Als de meting niet lukt…Het kan gebeuren dat de meting niet lukt,of dat u het testresultaat niet vertrouwt.In het merendeel van de gevallenligt de oorzaak van een foute metingniet bij het toestel, maar bij uzelf.Zo kan het door u afgenomen bloed eenonbetrouwbare waarde geven:* als uw vingers vuil zijn of als ueen ontsmettingsmiddel hebt gebruikt* als de druppel te klein is of alsu net teveel stuwing hebt gegeven* of als de bloeddruppel niet goedin het testveld terechtgekomen is. Het kan ook gebeuren, maar dat isminder frequent, dat de bloedglucose-meter stuk of vuil is, of dat de batterijleeg is.Of bent u misschien vergeten de codevan een nieuw potje teststrookjesop uw meter over te nemen?De teststrookjes moetenbij uw toestel passen en goed zijningebracht. Ze kunnen beschadigd zijn,of misschien zijn ze over devervaldatum heen.Zijn de tijdsinstellingen van uwmeter correct (tijd, datum, jaartal…)? Om problemen met uw bloedglucose-meting te voorkomen, is het nodig uwmeter jaarlijks te laten ijken.Neem hiervoor één keer per jaar,bijvoorbeeld bij de jaarlijksediabetescontrole, uw toestel mee naaruw arts.Weet dat zelfs bij een geijkt toesteleen afwijking tot 20% mogelijk is.Gebruik daarom nooit twee verschillendebloedglucosemeters door elkaar.Vergeet ook niet om bij elke meting een nieuwe naald te gebruiken! Leen uw bloedglucosemeter niet uitaan anderen: zelfs wanneer u eennieuwe naald gebruikt, is het contactvlakniet 100% steriel en bestaat er dussteeds een risico op overdracht vaneen besmettelijke aandoening, zoalshepatitis.Hoe ervaren u ook bent, het blijft altijdzinvol om demanier waarop u de test uitvoert afen toe laten beoordelen: uw arts of diabetesverpleegkundigeis hiervoor de aangewezen persoon. Vaak blijken immers toch slordighedenin de routine in te sluipen, die dekwaliteit van uw meting ongunstig beïnvloeden! Wat doet u met het resultaat?“Meten is weten”, wordt wel eens gezegd.Maar “weten” is bij diabetes niet genoeg:u moet ook kunnen begrijpen waarom bepaalde waarden niet ideaal zijn, én weten wat u met deze resultatenmoet doen.Uw bloedglucose meten zonder iets met de testresultaten te doen isimmers zinloos en, eerlijk gezegd, een verspilling van geld en energie. Zinvol gebruik maken van metingenlukt het best wanneer u alle meetwaardenopschrijft in een zelfcontrole-dagboek.Daarin is ook ruimte om te noterenwanneer u meer of minder dan normaal hebt gegeten of meer of minderinspanningen hebt verricht, of u ziek bentgeweest of er iets anders bijzondersaan de hand was.Zo bekomt u een overzicht dat utoelaat een patroon te herkennen in uw testwaarden,om daaruit conclusies tekunnen trekken en de juiste actie teondernemen. Als u alleen de geheugenfunctie van de glucosemeter gebruikt, hebt u welde testresultaten, maar mist u de samen-hang met factoren die de glucosespiegelbeïnvloeden zoals voeding, sport, ziekte ...Ook voor uw zorgverstrekkers is zo’noverzicht van uw metingen nuttig.Bij het opstarten van medicatie kan hetdagboek helpen om de dosis van de medicatie goed af te stellen, naderhand kan het nuttig zijn om de invloed van factoren als lichaamsbeweging en stress af te lezen. Er bestaan verschillende dagboekjesom uw meetresultaten te noteren.De Vlaamse Diabetes Vereniging stelt ze graag ter beschikking.Of u kan zelf een schema ontwerpen.Bespreek wel even vooraf met uw arts welke gegevens u moet noteren, en op welke manier u dit u best doet. Hoe vaak moet u meten?Het antwoord is simpel:zo vaak als nodig en zinvol is.Maar wat betekent dat?Het hangt af van een aantal factoren.Zo speelt het type diabetes een rol.* Bij diabetes type 1 en bij zwanger-schapsdiabetes is meermaal daags meten een voorwaarde voor een noodzakelijke scherpe glucoseregulatie.* Bij type 2 diabetes maakt het eenverschil of u tabletten of insuline gebruikt.Bespreek dit met uw arts. Verandering van situatie kan invloedhebben op de meetfrequentie:verandering van uw medicatie,en met name het overgaan van tabletten op insuline, is een goedereden om uw glucose een tijdje vakerte meten, tot de situatie is gestabiliseerd. Bij insulinegebruik geldt vaak:hoe meer injecties per dag, hoe vakermeten.Ook de kwaliteit en stabiliteit van uwdiabetesregulatie spelen een rol.Als uw diabetes goed is ingesteldkunt u met minder zelfcontrole toe,dan als u zoekt naar een verklaringvoor te hoge of te lage waarden. Ook de kans op hypo’s is van belang.Bij gebruik van een S.U.-tablet ofinsuline is meting van uw bloedglucosenuttig om hypo’s vast te stellenzodra u de eerste klachten ervaart.Of nog beter om een hypo te vermijden,door vóór een forse inspanning tekijken of, bij een wat lage glucosewaarde,wellicht eerst extra koolhydraten nodigzijn. Meermaal daags uw bloedglucose testenis zinvol als sprake is van factorendie uw diabetes kunnen ontregelen.Voorbeeldenzijn: stress, ziekte, intensief sporten, feestjes, vakantie… Wanneer meten?In de meeste gevallen zal de arts uvragen om een “vierpuntscurve” te maken:dit betekent vier metingen per dag,op vaste momenten: vóór het ontbijt,voor het middagmaal, voor het avondmaal en voor het slapengaan (of voor de snack die u nog eet bij het slapengaan)Soms kan arts ook nog andere extrametingen vragen, bijvoorbeeld na de maaltijd of ’s nachts.